Wat zijn de ontheffingsgronden op grond waarvan het bevoegd gezag een leerling kan uitzonderen van de verplichting om aan een eindtoets PO deel te nemen?

Het ministerie van OCW heeft een richtlijn opgesteld over de toepassing van de ontheffingsgrond. Deze richtlijn sluit zo nauw mogelijk aan bij de praktijk van passend onderwijs. De richtlijn biedt het bevoegd gezag meerdere mogelijkheden bij de onderbouwing van het ontheffen van een leerling. Dit om zo goed mogelijk te kunnen aansluiten bij elke individuele leerling en om de administratieve lasten voor de school zo beperkt mogelijk te houden.

Een stroomschema dat u ondersteunt bij de toepassing van de ontheffingsgronden, vindt u bij de vraag ‘Moet deze leerling een eindtoets maken?

Uitstroombestemming volgens ontwikkelingsperspectief (OPP)
Elke leerling in het reguliere basisonderwijs die extra ondersteuning krijgt, heeft na de invoering van passend onderwijs een ontwikkelingsperspectief (OPP). Daarin wordt duidelijk:

  • wat de uitstroombestemming van de leerling is naar het voortgezet onderwijs;
  • welke ondersteuning hij/zij ontvangt;
  • indien van toepassing: de afwijkingen van het reguliere onderwijsprogramma.

Binnen het OPP bestaan de volgende mogelijke uitstroombestemmingen:

  • een van de schoolsoorten van het reguliere voortgezet onderwijs;
  • het praktijkonderwijs;
  • de verschillende uitstroomprofielen binnen het vso (diplomagericht, arbeidsmarkt en dagbesteding).

De verwachte uitstroombestemming in het OPP biedt een concreet en relevant aanknopingspunt voor de ontheffingsgronden voor de eindtoets. De uitstroomprofielen vso-arbeidsmarkt en vso-dagbesteding zijn speciaal gericht op leerlingen die zeer moeilijk lerend zijn. Dit maakt het mogelijk om deze uitstroomprofielen te gebruiken als concrete invulling van de eerste twee ontheffingsgronden. De school is er zelf voor verantwoordelijk om dit voldoende te onderbouwen, onder andere met behulp van het leerling- en onderwijsvolgsysteem. Het bevoegd gezag beslist, na overleg met de ouders, of leerlingen die binnen deze ontheffingsgrond vallen, wel of niet meedoen aan de eindtoets. Wordt de leerling hiervan vrijgesteld, dan legt de school de onderbouwing van deze beslissing vast in de eigen administratie.

IQ-toets
Niet alle zeer moeilijk lerende leerlingen stromen uit naar deze twee profielen van het vso. Sommigen stromen door naar bijvoorbeeld het praktijkonderwijs. Om te zorgen dat ook deze leerlingen niet onnodig worden getoetst, bevat deze beleidsregel de mogelijkheid om een leerling met een IQ onder de 75 te ontheffen van de verplichting om een eindtoets te maken. Ook hier beslist het bevoegd gezag of de leerling vrijwillig meedoet aan de eindtoets, of dat de school de leerling hiervan ontheft. Hetzelfde is van toepassing op zeer moeilijk lerende leerlingen die géén extra ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband krijgen, omdat men voor een hoge graad van basisondersteuning heeft gekozen.

Vanuit OCW wordt aangegeven dat een IQ-toets geldig is als deze maximaal twee jaar oud is op het moment van afname van een eindtoets en als deze voldoet aan de criteria van de Cotan. Als de IQ-test ouder is dan twee jaar, dienen gegevens uit het leerling- en onderwijsvolgsysteem te bevestigen dat de ontwikkeling van de leerling niet verder is dan het niveau van eind groep 5 van het basisonderwijs.